De geschiedenis van de Joodse begraafplaats in Rijssen
Rijssen is een van de oudste stadjes van Overijssel en had vanouds een marktfunctie voor de regio. Die handelsfunctie trok joden aan, die immers op de handel waren aangewezen omdat andere activiteiten hen ontzegd waren. De eerste vermelding van een jood in Rijssen is Hertog Abrahams uit 1700. Aanvankelijk ging het slechts om enkelingen: in 1748 telde Rijssen nog maar drie joden. In de tweede helft van de 18e eeuw kwamen er geleidelijk meer, zodat er op den duur een kleine gemeente ontstond die ook enkele joden in Nijverdal en Hellendoorn omvatte.
Het recht om te begraven
Op 3 juli 1792 verleende de burgemeester van Rijssen aan de “joodse natie” het recht om doden te begraven op stadsgrond aan De Hagen, tegen de Hof van Antonij Schutten. Daarmee kreeg de kleine gemeenschap voor het eerst een eigen plek voor haar overledenen. Waarschijnlijk waren de oudste graven nog niet voorzien van grafzerken.
Geslachtsnamen en familienamen
Pas in 1811, bij de invoering van de burgerlijke stand, moesten ook de joden een geslachtsnaam kiezen. In Rijssen en omgeving kwamen vooral namen naar voren als Polak, omdat veel joden in Polen geboren waren, Cohen, de benaming voor priester (Cohein), en Pagrach, afkomstig van de Poolse plaats waar de desbetreffende familie oorspronkelijk woonde. Die laatste naam kwam vooral in Holten veel voor.
Een georganiseerde gemeente
In 1813 telde de joodse gemeenschap acht gezinnen, in totaal 43 leden. De kostwinners waren werkzaam als handelaar, vleeshouwer en landbouwer en de kinderen bezochten de openbare school. Na 1813 ontstond een georganiseerde gemeente. In 1830 liet zij een synagoge bouwen aan de Elsenerstraat. Acht jaar later, in 1838, verkreeg Rijssen de status van onafhankelijke joodse gemeente.
Onderdeel van de
Rijssense gemeenschap
Twee eeuwen lang leefden er joden in Rijssen die gewoon in de gemeenschap waren opgenomen. Dat zij als echte Rijssenaren werden gezien, blijkt uit het feit dat de vrouwen evenals andere Rijssense vrouwen “jak en rok” droegen en dat de mannen, net als de mannelijke Rijssenaren, een bijnaam hadden. Zo kende men voor de oorlog een Oaron met de Muuln en een Leeuwken van Lombok, droeg de familie Samuel de bijnaam De Preens en stond de familie Cohen bekend als De Sitze. Ze leefden van de handel, dreven een slagerij of verdienden de kost met het maken van kleren.
Bloei door de textielindustrie
Anders dan in de meeste provinciale plaatsen bleef de joodse gemeente in Rijssen groeien tot aan de Tweede Wereldoorlog. Die groei werd veroorzaakt door de industrialisering van Twente vanaf 1860, waarin de textielindustrie de belangrijkste plaats innam. Vooral in het bij Rijssen behorende Nijverdal kwam deze industrie tot bloei, mede door de inbreng van de firma Salomon, die daar in 1873 de Koninklijke Stoomweverij stichtte. De familie Spanjaard had een goed lopende sigarenfabriek aan de Wierdensestraat.
Dat de joden in deze streek grotendeels in hun bestaan konden voorzien, blijkt wel uit het feit dat in 1901 van de 107 joden er maar tien ondersteund hoefden te worden. In vergelijking met andere gemeenten is dat zeker geen hoog aantal. In het eveneens tot de gemeente behorende Holten werd in 1921 een eigen synagoge gebouwd.
Een nieuwe begraafplaats en een nieuwe synagoge
In 1878 werd de oude begraafplaats aan De Hagen vervangen door een nieuwe, gelegen op de Brekelt aan de Arend Baanstraat, op de kruising met de Brekeldlaan. Halverwege de jaren 1880 werd ook de synagoge aan de Elsenerstraat door een grotere vervangen, passend bij de gegroeide gemeenschap.
De Tweede Wereldoorlog
De ontwikkeling van de joodse gemeenschap in Rijssen werd door de Tweede Wereldoorlog abrupt afgebroken. In 1939 telde Rijssen nog 206 joden. Vrijwel alle joodse inwoners van Rijssen en omgeving zijn tussen november 1942 en april 1943 door de bezetter gedeporteerd. De meesten werden opgepakt in de nacht van 17 op 18 november 1942 en via kamp Westerbork naar het Oosten gevoerd. Slechts twintig Rijssense joden overleefden de oorlog.
De synagoge diende tijdens de oorlog als opslagruimte voor het gestolen joodse meubilair. Een deel van de eigen inventaris was naar Almelo overgebracht en bleef daardoor behouden.
Na de oorlog
Na de oorlog moest het gebouw, evenals de synagoge in Holten, verkocht worden. De hoofdsynagoge werd een winkel en die in Holten werd een garage. De joodse gemeente werd in 1948 opgeheven en bij die van Almelo gevoegd. In 1949 werd de oude begraafplaats aan De Hagen onder toezicht van een rabbijn geruimd. De aangetroffen stoffelijke resten werden herbegraven op de Israëlitische begraafplaats aan de Arend Baanstraat.
Herinnering
De begraafplaats aan de Arend Baanstraat wordt vandaag onderhouden door de gemeente Rijssen-Holten en telt 76 grafstenen. In mei 1990 werd hier een monument opgericht ter nagedachtenis aan de meer dan honderd joodse inwoners van Rijssen die in 1940-1945 door de bezetter werden gedeporteerd en omgebracht. Op de zwarte gedenksteen zijn een thorarol en een davidster afgebeeld, met de inscriptie:
“Ter herinnering aan de meer dan honderd joodse inwoners van Rijssen die door de bezetters in 1940-1945 werden omgebracht. Gedenk o G’d wat ons geschied is. Klaagliederen 5:1.”